Afstand en nabijheid

Al doende leer je.

Ieder mens heeft een bepaalde voorkeur voor een lichamelijke afstand of nabijheid. Je herkent vast wel mensen waarvan je vindt dat ze altijd nèt te dichtbij je komen staan. Hoe ga je daar dan mee om? Zeg je er iets van en komt dat goed over? Of vind je het misschien moeilijk om aan te geven dat je meer ruimte nodig hebt en ga je zelf steeds wat verder weg staan? Dan kijk je terug op zo’n situatie en zie je jezelf steeds iets op schuiven en de ander weer naar je toe enzovoorts. En zo kwam je van de ene kant van de discotheek aan de andere kant terecht, met nog steeds die net iets te kleffe persoon in je kielzog. Ik in de 80er jaren in ieder geval wel. Ik vond het destijds nog veel te lastig om op mijn plaats te blijven en de ander aan te geven dat die een stapje achteruit kon doen. Als ik mijn aandeel al herkende! Zolang ik niets doe of zeg, kan dat “kleefkruid” ook niet weten dat het te veel van het goede is voor mij.
Het herkennen van je eigen afstand of nabijheid tot een ander en wat dat met die persoon doet is ook iets wat je gaande weg kunt leren. In veel beroepen is het handig je bewust te zijn van het effect van je aanwezigheid in de ruimte ten opzichte van een ander. Jou mate van nabijheid doet iets met iemand, maar ook je mate van afstand kan iets bij de ander in beweging zetten.
Een recent haptonomisch voorbeeld waaruit blijkt dat de mate van afstand die je inneemt iets oproept in een ander komt van mijn werk in Appelscha:

Een cliënt op de houtwerkplaats is erg onrustig geweest in de ochtend. Deze cliënt is slechthorend en moeilijk te verstaan. Communiceren met elkaar is lastig: hij kan niet altijd duidelijk maken wat er is, wij begrijpen niet altijd wat hij bedoelt.  Na de onrustige ochtend gaat de cliënt naar de woning. Hij mag dat zelfstandig, maar de begeleider twijfelt of deze cliënt dat nu wel aankan. De begeleider besluit om de slechthorende man, uit zorg, te volgen op 3 meter afstand richting de woning. Wat vervolgens gebeurt:  de man draait zich vlak voor de woning om en loopt met geheven handen op de begeleider af. Roepend: wat ga jij doen, wat ga jij zeggen? Hierop pakt de begeleider de armen vast van de man en zegt geruststellende woorden. Hierdoor wordt de man snel weer rustig.

Terug kijkend op dit moment kun je zeggen dat het volgen op 3 meter afstand vragen en frustratie opriep bij deze cliënt. Maar stel je voor dat je zelf gevolgd wordt door iemand op die afstand. Ga je harder lopen? Draai je je om? Vraag je je af wat die persoon wil? Lijkt wel voor de hand te liggen dat je angstig of achterdochtig wordt. Achteraf bleek dat de begeleider zelf ook twijfelde over zijn aanpak: zal ik  het contact aangaan en vragen of het gewenst is dat ik mee loop, of het contact niet aangaan en vanaf grote afstand een oogje in het zeil houden. Op dat moment kwam hij er zo snel niet uit en volgde op twijfelachtige afstand. Nu is hij zich bewust van wat die afstand oproept en zal hij kunnen kiezen voor meer helderheid in afstand of nabijheid.

Plaats een reactie